Van « Hopenhagen » naar « Flopenhagen »...
Nog vóór de VN klimaatonderhandelingen in december 2009 van start gingen, was er wereldwijd een consensus over het belang om tot een wettelijk bindend akkoord te komen rond klimaatverandering. Het akkoord zou ervoor moeten zorgen dat de temperatuurstijging onder de twee graden blijft in vergelijking met het pre-industrieel niveau. Het was ook algemeen aanvaard dat er voldoende middelen moesten worden vrijgemaakt voor ontwikkelingslanden zodat zij zich kunnen aanpassen aan de klimaatverandering en duurzame economieën kunnen uitbouwen. Hier en daar waren er wel meningsverschillen over bijvoorbeeld hoeveel geld er moest worden vrijgemaakt of over hoe ver we onder deze twee graden moesten blijven. Maar in grote lijnen was het duidelijk wat precies nodig was.
En toch ligt de uitkomst van de onderhandelingen mijlenver verwijderd van deze verwachtingen.
Klimaatonderhandelingen in een notendop
De gesprekken kenden een slechte start. De Deense organisator maakte een aantal cruciale fouten zoals het uitsluiten van ontwikkelingslanden in belangrijke onderhandelingen en het opstellen van een akkoord in het geheim. De hoofdonderhandelaar van de Verenigde Staten, Todd Stern, stelde dat de VS geen verantwoordelijkheid zou opnemen voor de historische uitstoot van emissies door geïndustrialiseerde landen. Volgens hem was iedereen gewoon mede verantwoordelijk voor de klimaatchaos.
Dag na dag moesten de ontwikkelingslanden de handschoen opnemen tegen bedreigingen van rijke landen. Afrikaanse landen tekenden verzet wanneer zelfs het Kyoto protocol, het enig wettelijk bindend akkoord, terug in vraag werd gesteld. Friends of the Earth reageerde prompt met een actie in het Congrescentrum.
De Europese Unie besloot ook om de beloofde emissiereducties tegen 2020 niet te verhogen naar 30%. Men blijft in Europa vasthouden aan de 20% reductie tegen 2020 in vergelijking met het referentiejaar 1990. En zelfs in dit scenario zitten er veel 'offset' maatregelen vervat wat impliceert dat men de reducties niet in eigen land realiseert, maar investeert in CO2-reducties in ontwikkelingslanden. Deze maatregelen vormen echter geen garantie dat deze reducties ook effectief gebeuren en bovendien brengen deze projecten vaak negatieve gevolgen met zich mee op sociaal en ecologisch vlak.
Naarmate de onderhandelingen vorderden, werd het steeds duidelijker dat de rijke geïndustrialiseerde landen niet de nodige inspanningen zouden leveren om klimaatchaos te vermijden.
President Obama wees voornamelijk naar China als grote dwarsligger. Nochtans had China zich vóór de onderhandelingen bereid getoond om serieuze emissiereducties door te voeren en hadden ze ook duidelijk gemaakt dat ze geen geld zouden vragen aan de rijkere landen. China was wel niet bereid om te tekenen voor het principe dat rijke landen en ontwikkelingslanden dezelfde verplichtingen hebben in tijden van klimaatcrisis.
In het congrescentrum verschoof het debat naar een aantal bittere kwesties, zoals de vraag of het beter was om geen akkoord te hebben in plaats van een slecht akkoord. Als men tot geen akkoord zou komen, zou dit de druk enorm verhogen om in 2010 tot een sterke overeenkomst te komen. Een slecht akkoord zou deze druk verminderen en een sterke en faire overeenkomst in de toekomst bemoeilijken.
Het akkoord
Het akkoord dat momenteel op tafel ligt, is extreem zwak. Het is wettelijk niet bindend. Bovendien wordt er opgeroepen om de globale temperatuurstijging onder de twee graden te houden, maar als we de reducties die de landen voorstellen samentellen dan komen we al snel uit bij een temperatuurstijging van 3 of 4 graden. Het geld dat op tafel gelegd wordt, komt ook niet tegemoet aan de huidige noden. Nochtans worden landen in het Zuiden nu onder druk gezet om het akkoord te ondertekenen. Er wordt gedreigd de toegang tot fondsen af te snijden als ze dit niet doen.
Kortom, een beperkt aantal landen hebben dit « akkoord » opgesteld en leggen dit nu op aan andere landen. De armste en meest kwetsbare landen zijn nogmaals het slachtoffer van deze politiek. En de weg om te komen tot een fair en bindend klimaatakkoord lijkt zelfs niet meer geplaveid met goede bedoelingen.
Social change, not climate change
Een baken van hoop is wellicht de groeidende beweging voor klimaatrechtvaardigheid. Friends of the Earth was hier een belangrijke actor, zowel in de aanloop naar Kopenhagen als tijdens de vele acties, betogingen en debatten tijdens de klimaatonderhandelingen zelf. In het congrescentrum stond Friends of the Earth vaak schouder aan schouder met de armste landen die nu reeds in de frontlinie van de klimaatverandering zitten.
Kopenhagen trekt niet enkel de aandacht van de “klassieke milieuorganisaties” en de oorzaken van de klimaatverandering worden vanuit een brede hoek benaderd. Sociale veranderingen, lokale productie en een herverdeling van de natuurlijke rijkdommen maken deel uit van de oplossingen.
Als Kopenhagen niet het verwachte resultaat oplevert op politiek niveau, dan is het misschien wel het begin van een nieuwe golf van sociale bewegingen. Met een divers publiek gaande van vakbonden, milieuorganisaties, lokale consumenten-initiatieven, linkse partijen, Via Campesina en vele andere. Overal weerklinkt de boodschap dat een sterke climate justice beweging meer dan ooit nodig is. Intussen wordt hier volop expertise opgebouwd, ervaringen uitgewisseld en nieuwe of oude actietechnieken aangeleerd en doorgegeven.
De strijd voor meer duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid is nog nooit zo dringend geweest. De komende weken en maanden zullen we blijven bouwen aan een sterke beweging, en jouw hulp kunnen we hierbij zeker niet missen.